• Ronald Peeters

Sporende jongens

Ik zie het vast niet goed. Er ontgaat mij ongetwijfeld een detail. Een of andere aanwijzing. Het is zondagmiddag en ik zit in de trein van Amsterdam naar Zaandam. In de banken aan de andere kant van het gangpad zitten twee jongens tegenover elkaar elk een boek te lezen. Jawel, u leest het echt goed, een boek te lezen! Dit houd ik ook niet voor mogelijk.

We schrijven het jaar 2019 en het lijken me jonge knullen. Zo rond de twintig. Hebben die geen telefoon dan? Zonder Apple of Samsung kan je toch niet meer met goed fatsoen de trein in? Wat asociaal! Dan hoor je er echt niet meer bij hoor. Of staat er ergens een cameraman en maken ze opnames voor een of ander antiek programma? Zoals ''Toen was geluk heel gewoon''?

Deze gedachte wordt nog eens bevestigd door het feit dat er tegenover mij twee mannen zitten te puzzelen. Gezellig met een cryptogrammenbundel tussen hen in, elkaar aanvullend met de antwoorden. Wat een gezelligheid, ik zit in een droom! Ik knijp in mijn arm maar auw, dat doet zeer. Het is de realiteit. Ik zie ook geen televisieploeg. Er zijn dus nog mensen die niet digitaal sporen. Ik bedoel, ze sporen wel, maar zonder te appen, googlen of Facebooken. Spoor je dan wel of spoor je dan eigenlijk niet?

Voor mij is het een vreemde ervaring. Mensen die in de trein een boek lezen zijn van de vorige eeuw. Ik bekijk de jongens dus nog eens goed. Ze zien er keurig uit. Opvallend keurig zelfs. Niet normaal keurig zelfs. Nette donkere jassen, een vouw in de broek, gepoetste schoenen en een stropdas. Allebei. Ze moeten bij elkaar horen, dat kan niet anders!

Mijn blik glijdt naar de boeken. Ze zijn niet groot maar wel dik. Romans? Thrillers? Van een afstand herken ik plots de pagina indeling. De verzen die telkens met een grote hoofdletter beginnen. Ik herken dit. Ze lezen de Bijbel!

Aha! Nu begint een en ander mij te dagen. Als ik ook nog eens op het naamplaatje van één van hen iets met "Jezus Christus" zie staan, weet ik het zeker.

Deze jongens zijn aan het werk, gaan aan het werk of zijn juist klaar met hun werk.

Omdat zij echter even later gelijk met mij in Zaandam de trein uitstappen, hoop ik op het laatste.

Ahum. Let wel, ik heb respect voor ieders geloof, en het verkondigen mag van mij ook, maar tot aan een zekere grens. En die ligt vanmiddag bij mijn voordeur. Ik heb dingen te doen. Een column schrijven bijvoorbeeld. Dus ik denk dat ik de deurbel maar even afzet.